Informatief


 



Voor de oudste kerkgeschiedenis van Oene hebben wij door te dringen tot in het grijze verleden, tot in de tijd dat de Batavieren, Franken en Saksen ons vaderland bewoonden en elkaar bevochten en joegen op wolven en wilde zwijnen.
Ze brachten offers van dieren en mensen aan de goden der Germanen, op groten stenen onder eeuwenoude eiken, de oorspronkelijke bomen van de Veluwe.
Zo hoopten zij op een gelukkig hiernamaals in Walhalla, waar ze gerstebier zouden drinken uit de schedels van verslagen vijanden.

Een kerk was er toen nog niet. Voor de eerste sporen van het christendom in deze streek, moeten we terug gaan naar de Romeinse tijd.
Het Evangelie is het eerst gepredikt door de zendelingen Willebrord en Bonefatius en door de beide Ewalds, de zwarte en de blonde, die gelijktijdig door onze heidense voorvaderen zijn vermoord.

Op de Veluwe is het Evangelie pas gekomen in de tweede helft van de achtste eeuw, dus tamelijk laat. In die tijd werkte de priester Lebuinus in Deventer en Wilp.
Hij zou tot driemaal toe een bevel van de hemel gekregen hebben om het Woord van God te prediken in het grensgebied van Franken en Saksen. Zijn kerk in Deventer is tweemaal door de heidenen platgebrand, maar hij is doorgegaan.
Overal werden christelijke kerken en kapellen gebouwd, meestal op de plek waar vroeger heidense tempels stonden. Gemakkelijk ging het niet in deze streken. Overal stuitten de zendelingen op de tegenstand van de bevolking.
Gedurende de 8e eeuw houdt de Evangelieprediker Ludger (742-809) zich vooral bezig met de kerstening van de IJsselstreek (IJsselgouw).

Deze prediker stichtte overal aan de overzijde van de IJssel bidkapellen. Vandaar, dat we hem vaak op schilderijen, houtbewerkingen tegenkomen met een bidkapelletje in zijn hand. Zo is hij vermoedelijk ook afgebeeld in de Oener kerk, als je het torenportaal binnenkomt en je gaat aan de noordzijde de kerk binnen, ziet u Ludger met bedeltas afgebeeld op de achterste pilaar.
Het vermoeden bestaat dat er toen in Oene ook op dezelfde plaats van de kapel al een bidkapelletje stond

Toch schonk in 795 Ludger, zoon van Redger al een erfgoed tussen Berilsi en Enedsea, gelegen in de mark Doornspijk, aan de kerk van Deventer, met toestemming van zijn zoon Bersuida. En in 805 de goederen Quarsingseli en Berugtanscotan -het latere Schouwenburg- (J.W. van Oostveen: “Velua Catholica”).
Steeds meer won de christelijke kerk terrein. Keizer Karel diende het Evangelie te vuur en te zwaard en stelde onze Veluwse vaderen voor de keus zich te laten dopen of hun hoofd eraf. Maar uit die tijd weten we over deze streek niet veel, evenmin als uit de tijd van de kruistochten. En of de ridders van Staverden, die de bewoners van Putten, Elspeet en Elburg van tijd tot tijd aan hun lansen rijgden en ophingen aan de bomen, hun strooptochten ook tot hier hebben uitgestrekt, is evenmin bekend.

Pas uit de tijd, toen Maarten van Rossum (bewoner van kasteel De Cannenburgh te Vaassen) de buurt onveilig maakte, zijn er meer gegevens.

 

Tekst van de week

 

‘Wie drinkt van het water dat Ik hem zal geven, zal in eeuwigheid geen dorst meer krijgen. Maar het water dat Ik hem zal geven, zal in hem een bron worden van water dat opwelt tot in het eeuwige leven’. (Johannes 4:14)