Informatief


 

In de 16e eeuw is er op de Veluwe een belangrijke hervormer geweest. Deze hervormer was de pastoor van Garderen. Zijn eigenlijke naam was Jan Gerritsen Versteeg 1520-1570?). Later kreeg hij de Latijnse naam waaronder hij bekend geworden is: Johannes Anastasius Veluanus.

Deze hervormer heeft vooral veel bekendheid gekregen vanwege zijn boek “Der Leecken weghwijser”, die hij in 1554 geschreven heeft.

Hij was één van de eerste pastoors, die zich openlijk tegen de roomse leer durfde te verzetten.

Veel van de kerk van Oene uit de eerste tijd der hervorming weten we niet, omdat het oudste kerkdocument niet verder teruggaat dan 1659.
Hierin werd hij vermaand o.a. de viering van de mis in zijn kerk te beëindigen.
Zich voortaan van alle misbruiken en menselijke instellingen als biechten te onthouden en die niet meer te leren We kunnen spreken van een historisch document.

 

Hier tekent zich voor Oene de overgang Rome–Reformatie af.

De brief van het Hof van Gelre van 1659


Tegelijk met Oene kregen nog zeven andere pastoors in deze regio een brief met precies dezelfde inhoud. Het waren die van Twello, Wilp, Terwolde, Nijbroek, Epe, Heerde en Apeldoorn. Van deze acht brieven is alleen het concept, het model, waarnaar ze alle geschreven werden, in de archieven bewaard gebleven.

De kwestie was, dat een jaar eerder (maart 1580) in Deventer, na de onverwachte overgang van stadhouder Rennenberg naar de Spaanse zijde en de daarop gevolgde Beeldenstorm, de openbare uitoefening van de roomse eredienst verboden was. Ook ten noorden van de stad in de dorpen langs de IJssel (Olst en Wijhe) was door ongeregeldheden deze dienst onmogelijk geworden. Veel katholieken zochten nu hun heil over de rivier in het Gelderse, waar een zodanig verbod (nog) niet was afgekondigd.


Regelmatig waren Overijsselaars in de dorpskerken van de oost Veluwe te vinden, om er de mis te horen en te biechten. Om daar paal en perk aan te stellen werd vanuit Overijssel naar het Hof te Arnhem geschreven. Dit Hof, sinds 1579 van Spaans- en roomsgezinde gezuiverd, wilde meewerken. Het resultaat was bovenvermelde brief. Daarin werd de pastoors niet alleen aangezegd geen Overijsselaars meer in hun kerk toe te laten voor papistische misbruiken, maar ook voor hen eigen parochianen geen roomse ceremoniën meer te gebruiken.
Let wel: hier is nog geen sprake van complete afschaffing van de roomse eredienst en vervanging door de gereformeerde, maar een zuivering van de bestaande.
Bepaalde elementen (overigens wel de meest wezenlijke) zijn:

het misoffer met zijn voor calvinisten onjuiste verering van de hostie en het exorcisme (duivelsuitdrijving) bij de doop en de biecht moesten achterwege gelaten worden. Wat de pastoors overbleef was de prediking en (zonder ceremoniën) de doop en huwelijksvoltrekking

 

De brief eindigt met een waarschuwing: mochten de pastoors er geen gehoor aan geven, dan stond “tho besorgen, dat u durch einigen dair(wege) (over)last angedaen muchte werden”.

Is dit een verkapt dreigement, dat dan in hun dorp soortgelijke tonelen zich zouden kunnen afspelen als in Deventer en Olst?


Hoe de pastoors op de brief reageerden is ons alleen bekend van de pastoor van Oene, Lambertus Henrici. Hij schreef direct terug, verongelijkt. Was hij al niet tien maanden geleden (juni 1580) op eigen initiatief met de misviering in zijn kerk gestopt? Blijkbaar was het Hof verkeerd over hem ingelicht. Hij vermoedt, dat hier persoonlijke vijanden van hem achter zaten, “quaetgunders”, die hem niet veel goeds gunden. En wat de Overijsselaars in zijn kerk betreft, dit waren over het algemeen mensen uit Welsum, dat stukje Overijssels gebied aan de Gelderse kant van de IJssel. Zij behoorden bij het kerspel Olst, maar wanneer wintertijd door ijsgang, storm en onweer de rivier met kleine scheepjes niet over te varen was, kwamen ze wel naar het beter bereikbare kerkje van Oene. Hij kon deze mensen dan toch niet de kerk uitjagen?

 

Lambertus Henrici was in die tijd één van de pastoors, die uit zichzelf de mis achterwege liet, hetzij omdat hij er niet meer in geloofde of uit voorzichtigheid
In een tijd, waarin de strijd (met als inzet de godsdienst) heen en weer golfde, met een zeker voor Oost Nederland onzekere afloop, vonden zij het raadzaam niet al te rooms te lijken.

Of Henrici werkelijk de Hervorming was toegedaan, moest blijken uit zijn preken. Daar schrijft hij ook over in zijn brief. Hij verklaart het Woord Gods niet anders aan zijn onderzaten geleerd te hebben dan hij voor God Almachtig gedenkt te verdedigen. Kennelijk was hij er zich van bewust, dat op zijn preken vanuit gereformeerd gezichtspunt nog wel het een en ander was aan te merken. Hoe zou dat ook anders kunnen bij een eenvoudige, weinig gestudeerde dorpspastoor? Hij lijkt echter een man van goede wil, die zijn best deed en te zijner tijd predikant van Oene zou kunnen worden.

 

Tekst van de week

 

‘Wie drinkt van het water dat Ik hem zal geven, zal in eeuwigheid geen dorst meer krijgen. Maar het water dat Ik hem zal geven, zal in hem een bron worden van water dat opwelt tot in het eeuwige leven’. (Johannes 4:14)